Stephen Bouquin schreef voor het recentste nummer van
Samenleving & Politiek (oktober 2007) een analyse over uitdagingen voor de
SP.a. Samenleving & Politiek of kortweg Sampol
is een theoretisch maandblad binnen de socialistische beweging of zoals ze zelf
schrijven een “tijdschrift voor een democratisch socialisme”. www.sampol.be
Reeds nu is duidelijk geworden dat 10 juni 2007 een
keerpunt vormt in de geschiedenis van de sp.a. Niet enkel omdat het
verkiezingsresultaat het historisch minimum benaderde maar ook en
vooral omdat hierbij eindelijk een brede interne discussie geopend werd
rond de strategische positionering van de partij. Zonder SP.a-Rood en
de kandidatuur van Erik De Bruyn en Elke Heirman zou deze discussie
niet dezelfde zijn. Het rapport-Janssens werd in vele afdelingen
besproken. Voor de eerste keer worden een aantal zaken op een rijtje
gezet en met elkaar in verband gebracht: electorale resultaten, analyse
van de campagne en van de partijwerking. Deze bijdrage is geenszins een
‘tegenrapport’ maar heeft de bedoeling via een aantal kritische
kanttekeningen het debat verder uit te diepen. Want, inderdaad, zoals
Patrick Janssens het stelt in zijn voorwoord: ‘de analyse van de
verkiezingsnederlaag ligt er, maar dit betekent nog niet dat er een
strategie op tafel ligt’.
De nederlaag en haar interpretatie
Vraag is of de analyse wel sluitend is. In het voorwoord van het
rapport schrijft Patrick Janssen dat ‘de sp.a in het centrum verloren
heeft en niet ter linkerzijde’. En verder: ‘Dit is geen opinie maar
wiskunde’. Het is echter zo dat wiskunde van weinig tel is bij een
politieke analyse. In de interpretatie van de verschuivingen van
kiezers naar de ene of andere politieke formatie is het van essentieel
belang onze analyse-categorieën zoals ‘links’ en ‘rechts’ niet te
projecteren op het electoraat. Anders gezegd: noties die voor ons een
betekenis hebben zijn daarom niet universeel. Wij kunnen altijd zeggen:
‘onze kiezers zijn verschoven naar rechts’ maar voor de kiezers zelf,
of een fractie onder hen, is dit misschien niet zo. Misschien koppelen
zij politieke standpunten al lang niet meer met de linker- of
rechtervleugel van het politieke spectrum. De analyse van politieke
verschuivingen is met andere woorden geen kwestie die zich op
wiskundige wijze laat oplossen. In wiskunde kan men vijf moeilijk met
zes verwarren. Maar de sociale realiteit is een samengesteld en complex
gegeven. Bovendien vallen betekenis en betekenaar nooit samen. Geen
enkele boodschap wordt op 100% dezelfde wijze begrepen door spreker en
toehoorder.
De analyse van het verlies kan dus niet zijn ‘We verloren in het
centrum. Punt’. Velen stemden voor andere lijsten omdat zij geen enkele
reden zagen in een stem voor de sp.a. Die keuze werd ingegeven door een
veelheid van motieven. Voor de minst gepolitiseerde kiezers was dit
hoogstwaarschijnlijk ‘nood aan afwisseling’, ‘nieuwe gezichten zijn
nodig’ en natuurlijk ‘protest’. Na jaren regeringsdeelname bevond de
sp.a zich ten aanzien van dit publiek uiteraard in een kwetsbare
positie. Bij een meer gepolitiseerd electoraat wordt gekozen in functie
van het gevoerde beleid, van de inhoudelijke voorstellen, soms in
combinatie van persoonlijke gebeurtenissen die kenschetsend zijn. Ook
op dit niveau vertrok de sp.a met een handicap: het Generatiepact en
fiscale amnestie om er maar twee te noemen. In dergelijke situatie kan
enkel een sterke campagne de schade beperken. Op dit vlak zijn er veel
fouten gemaakt, zoals het rapport terdege stelt. De vraag is echter of
een betere campagne een andere resultaat zou hebben opgeleverd. Dit is
een nutteloze vraag, maar toch. Laten we ons even inleven met een
consument, in deze tijden van politieke marketing geen nutteloze
metafoor. Stel: je blijft gedurende jaren een bepaald waspoedermerk
kopen, ondanks enige ontgoochelingen. Je blijft dit toch doen omdat de
andere merken niet beter zijn, omdat de verpakking mooi oogt, omdat de
spots op tv hip zijn, tot je ervaart dat de wasmachine eronder leidt
(dit is het moment van het Generatiepact). Toch wordt dit waspoeder de
volgende verkiezing opnieuw aangeprezen met een even of nog betere
campagne. Wat doet een kritische of zelfs onkritische consument?
Inderdaad, hij/zij sanctioneert. Net zoals in een relatie of op je werk
maak je op een bepaald ogenblik de rekening op. Ik zeg dit maar om de
kritieken op de campagne te relativeren. Goed of slecht, de sp.a moest
en ging verliezen.
De vraag waarom de sp.a niet gesanctioneerd werd ter linkerzijde is
makkelijk te verklaren: de linkse en progressieve keizers voor wie
‘links’ en ‘rechts’ nog een betekenis hebben, weigeren hun overtuiging
opzij te schuiven en stemmen steeds zo nuttig mogelijk. Zij houden dus
rekening met de krachtsverhoudingen tussen links en rechts en gaan niet
snel een stap zetten die rechts zal versterken. Overigens was de kans
op een parlementaire doorbraak vanwege radikaal links miniem. Jaren
werd dit geprobeerd, alleen of met een kartel, maar telkens mislukte
het. Stemmen voor deze lijsten is met andere woorden een verloren stem,
want zonder verkozen kandidaten gaat het enkel over de inhoud van de
campagne, de juistheid van sommige eisen of voorstellen. Het laag
stemmenpercentage heeft zelfs een averechts effect: wanneer voorstellen
gedragen door deze lijsten maar 0,9 of 1,22% van de stemmen behalen
worden de an sich
goede voorstellen op dezelfde wijze gemarginaliseerd als zij die ze
uitdragen. Stemmen voor de PVDA en CAP is, behalve in enkele
lokaliteiten, bijgevolg een symbolische stem die niet weegt. Kiezers
voor wie ‘links’ nog een betekenis heeft, stemden dus voor de sp.a of
voor Groen!. Ondanks kritiek, misnoegdheid, frustratie en noem maar op.
Politicologisch onderzoek heeft aangewezen dat de grote fluctuaties van
het stemgedrag ten dele het gevolg zijn van het feit dat begrippen
‘links’ en ‘rechts’ verworden zijn tot abstracte categorieën. Het
regeringsbeleid wordt in het centrum gevoerd met wat accenten die de
ene of de andere gevoeligheid strelen. Politiek is een show met veel
marketing en communicatie. Een gegeven dat vele mensen intussen ook wel
door hebben. Het échte leven is elders. Ja, er bestaan nog politieke issues
die een verre en vooral zeer vertekende band met de realiteit hebben.
Politiek gaat dan over ‘meer of minder sociaal’, ‘meer of minder
overheid’ (in feite meer of minder privatiseren), ‘meer of minder
belastingen’, en ook ‘meer Vlaanderen en minder migranten’, enzovoort.
Er zijn nog steeds verschillen, maar de positionering van sp.a was (en
is) allesbehalve coherent, en uiteindelijk, ondanks een mooie
verpakking, niet geloofwaardig. Wat betekent immers de slogan ‘elk
kind, schoon kind’ ? Ware het niet duidelijker te stellen ‘elk kind
heeft recht op een toekomst’? De slogan ‘als iedereen werkt, werkt
alles beter’ is triviaal. Ze gaat voorbij aan twee belangrijke feiten:
velen werken maar verdienen te weinig (working poors); en ten
tweede duwt het activeringsbeleid vele werklozen in nepstatuten en
precaire jobs. Is dit ‘werk’? Is dit beter voor hen? Functioneren
bedrijven en organisaties beter met slecht betaald personeel en met workfare ?
De Ja!-campagne was dus niet meer dan een mooi ogende verpakking die
niet alleen los stond van de realiteit, maar ook van het gevoerde
regeringsbeleid. Dit is overigens de échte reden waarom iedereen enkel
de ‘Ja!’ onthield. Wie met de realiteit een loopje neemt, struikelt er
vroeg of laat over. Overigens vertoont een centrumlinkse politieke
koers de neiging inconsistenties te verzamelen. Hoe kan men immers
‘meer sociaal’ zijn met ‘minder belastingen’ en ‘minder overheid’? Hoe
kan men de neoliberale agenda mede uitvoeren en toch verwachten
hiervoor bedankt te worden door het traditionele electoraat? Zelfs het
afvijlen van de scherpe kantjes is er niet meer bij geweest. Wat maakt
dan nog het verschil? De profilering en het sexy gehalte van de
partijboegbeelden? Last but not least,
een centrumlinkse koers maakt de sp.a lamlendig ten aanzien van
centrumrechts, rechts en uiterst rechts. Immers, op het mooie maar
irreële centrumlinkse verhaal van de sp.a volgen andere en voorlopig
meer geloofwaardige boodschappen: ‘Laat Wallonië los want wij zijn rijk’ of ‘Genoeg geknoei, laat goed bestuur het over nemen’ of ‘Pak de profiteurs aan, en wees sociaal voor hen die het waard zijn’.
Ook deze boodschappen zijn absoluut onjuist: laten we België (en
Wallonië) los, dan worden we armer. En goed bestuur is geen kwestie van
managers en management maar van middelen en doelstellingen. De aanpak
van profiteurs is een aanpak van divide and rule waarbij de
hardwerkende mens er niet beter van wordt als de werklozen hun
uitkering verliezen. Wel integendeel, de werkloze zal in het gelid
geroepen worden en zal sneller om het even welke job aanvaarden aan om
het even welke verloning.
Kortom, een inconsistent centrumlinks verhaal is gedoemd zichzelf in
het nauw te drijven. Als je iedereen tevreden en te vriend wil zijn,
dan stel je meestal niemand tevreden. Enkel de echte vrienden blijven
over. Hoe ‘breed’ en open je ook bent, je versmalt op electoraal vlak
tot 15-17% en enkel de harde kern blijft over. Voor de sp.a zijn dit
progressieven, socialisten, die veelal ‘links’ van de partijleiding
staan. Sommige personaliteiten weten hoger te scoren dan de 15%.
Patrick Janssens heeft in een polarisatie tussen hem en Filip Dewinter
de Antwerpse coalitiepartners een beetje in hun blootje gezet. Prima,
maar het échte werk moet nog beginnen, namelijk opnieuw stemmen winnen
bij het Vlaams belang.
Een verweesde achterban
Begin jaren 1990 maakte socioloog Mark Elchardus een analyse over het
kiesgedrag in relatie tot waarden en normen. Hij stelde vast dat er
niet één maar twee breuklijnen waren: indien sommigen op
sociaaleconomisch vlak progressief waren, dan waren zij veelal
etnocentrisch en autoritair georiënteerd op moreel-ethische vlak. Deze
eerste groep was voornamelijk samengesteld uit minder geschoolde mensen
met lagere inkomens. Kortom, de traditionele achterban, de arbeiders.
Een tweede groep positioneerde zich juist omgekeerd: progressief-links
op moreel-ethisch vlak, liberaal op sociaaleconomisch vlak. De
‘lijn-Tobback’ bestond erin op moreel-ethisch vlak een ‘flinkse’ aanpak
na te streven, in woorden en daden. Maar op sociaaleconomisch vlak was
de partij alles behalve ‘links’. Een strakke aanpak ten aanzien van
mensen zonder papieren en een bout taalgebruik (‘het salon is vol’)
leidde ertoe dat progressieve kiezers op Agalev stemden, terwijl de
afwezigheid van een progressief sociaaleconomisch beleid uiteindelijk
de traditionele achterban in de kou liet staan. Deze periode eindigde
met Tobbacks ontslag als Minister van Binnenlandse Zaken (nadat Semira
Adamu met verstikking werd gedood) en een pover electoraal resultaat.
Onder leiding van Patrick Janssens werd het roer omgegooid richting
multiculturaliteit. Kortom op ethisch-moreel terrein werd de SP
‘anders’, ja, zeg maar opnieuw links. Maar hier bleef het bij. Paars
kwam aan de macht in 1999 en Steve Stevaert kon gedurende enige tijd
een sociaal imago hoog houden dankzij het ‘gratis-verhaal’. Inderdaad,
waarom niet een aantal basisvoorzieningen zoals het openbaar vervoer
gratis maken? De samenleving wordt er enkel rijker mee. Meer
levenskwaliteit voor iedereen. Het probleem is echter dat dergelijke
aanpak een trein op gang brengt die vroeg of laat zal botsen op een
beleid van privatiseren en minder belastingen. Stevaert verdween van
het toneel en iedereen herinnert zich de recente periode met het
Generatiepact.
De negatieve impact van de toenmalige keuze het brugpensioen af te
bouwen is tot vandaag zwaar onderschat. Ik heb het altijd merkwaardig
gevonden dat zo weinig journalisten (en sociologen) stil stonden bij
het feit dat toen tienduizenden werkende jongeren staakten en op straat
kwamen terwijl het ‘maar’ ging over de toekomst van de brugpensioen,
een gegeven dat hen eventueel opwacht binnen minstens twintig jaar. Wat
bezielde hen? Jonge meelopers? Neen, het ging over een nieuwe generatie
die reeds enige tijd de verharding van het leven ervaart. In het gezin,
via hun ouders, zelf via jaren interim, kleine jobkes,
lage lonen en tegelijkertijd steeds harder werden, én daarenboven
steeds te horen krijgen dat het nog beter kan. Aan hen werd gezegd door
de sp.a-ministers: ‘dit leven van vandaag ga je mogen uithouden tot je
zestigste, want anders zijn er geen pensioenen meer’.
Als we even de hedendaagse sociale realiteit bekijken, leven we in een
tijdperk waar we niet alleen ‘Ja’ kunnen zeggen maar we ook ‘neen’
moeten durven roepen. Weinigen ervaren immers op positieve wijze de
hogere prijzen en een afkalvende koopkracht, het duurder wonen, meer
werkintensiteit, meer interim werk, meer tijdelijke contracten,
gezinsonvriendelijke werkuren, een constante chantage van
herstructureringen, enz. Een luxeleventje heb je ook niet met een
gezinsinkomen van 1500 à 2000 euro waarbij kinderen zullen gaan
studeren. Neem hierbij ook maar de gepensioneerden die het met een
pensioen van minder dan 1000 euro moeten stellen. En de werklozen, of
beter: deze die afwisselend stempelen en werken in precaire situaties
waarbij zij noch een lening bekomen noch een loopbaan uitbouwen en
evenmin zullen sparen. Werken in een callcenter, of in een kledingzaak
(wanneer ze jong zijn en van het vrouwelijk geslacht), voor een
koerierbedrijf of gewoonweg in de horeca pintjes tappen verdient nooit
meer dan 1200 euro voor een full-time betrekking. De leefwereld van de
werkende bevolking, loontrekkende, ambtenaren van lagere echelons of
kleine zelfstandigen is geen lachertje. In feite is dit de traditionele
achterban van de linkerzijde, van de arbeidersbeweging. Natuurlijk zijn
er generatieverschillen, cultuurverschillen, en verschillen in
wereldvisie. Maar de sociale tegenstelling bestaat nog, naast andere
tegenstellingen. Op deze breuklijn is de socialistische
arbeidersbeweging ontstaan en groot geworden. Het project van de ‘Derde
weg’ was een dwaalspoor en vormt met andere woorden de wortel van de
electorale en politieke crisis van de sp.a.
Uit de impasse van de Derde weg
De sociaaldemocratie vertoeft overal in crisis stelt het rapport
terdege. Dit is de crisis van de Third Way. Dit project verzoende de
sociaaldemocratie definitief met de ‘vrije markt’, met het liberalisme
en ambieert op sociaal vlak niet veel meer dan ‘gelijke kansen’. De
overheid heeft enkel nog verantwoordelijkheid op het vlak van
competitiviteit. Ze mag de welvaartstaat tot het minimum herleiden
terwijl sociale rechten en bescherming compatibel moeten zijn met het
globaal casinokapitalisme. Uiteraard is de Third Way
de erfgenaam van het failliete keynesiaanse project van gemengde
economie. Er moest dus gesaneerd worden maar tot begin jaren 1990
bestond nog de hoop dat economische groei tot sociale return zou
leiden. Dit was het axioma van voormalig Duits sociaaldemocratisch
kanselier Helmut Schmidt: de besparingen van vandaag financieren de
investeringen van morgen die de jobs van overmorgen zullen scheppen.
Besparingen waren er voor de overheid en de loontrekkende bevolking,
maar niet voor de anderen (remember de indexsprongen).
Economische groei keerde terug en tewerkstelling groeide aan, maar wat
soort jobs en met welke werkzekerheid ? Men vergat dat de economie geen
natuurlijk gegeven is maar een krachtenveld waar actoren en
belangentegenstellingen elkaar ontmoeten. Anders gezegd: hoe kan er
ooit sociale return komen wanneer de belastingen op winsten
(roerende voorheffing) dalen van 40 naar 25%, wanneer de loonevolutie
losgekoppeld wordt van de productiviteit, wanneer loonlastverlagingen
een miljardendans maken en de sociale zekerheid wordt uitgehold tot een
minimaal stelsel met daarnaast privatiseringen van alles waar geld mee
te verdienen valt. Intussen is ook duidelijk geworden dat het sociale
europa met 27 lidstaten verder af ligt dan ooit.
De project van de Derde weg had als doel de sociaaldemocratie om te
vormen tot een pro-kapitalistische partij, net zoals de Democraten in
de VS. Armen worden geresponsabiliseerd voor hun lot, sociale
bescherming is voorwaardelijk en steeds onvoldoende en vormt dus een incentive
tot een actief burgerschap. Natuurlijk zijn er verschillen tussen
democraten en neo-conservatieve republikeinen. Maar voor één derde van
de samenleving zijn deze amper voelbaar. Zij hebben de representatieve
democratie de rug toegekeerd en stemmen niet meer. Het kiezerskorps
slinkt evenredig met het inkomen. In Groot-Brittannië heeft ‘Tory’
Blair getracht dezelfde weg in te slaan. New Labour won in 1998 maar
tien jaar later is de situatie voor de onderste lagen van de
samenleving niet fundamenteel verbeterd inzake leef- en
werkvoorwaarden. New Labour verloor 400.000 leden sinds begin 2000; de
participatiegraad bij de algemene verkiezingen in mei 2005 daalde tot
het historisch dieptepunt van 58% en Blair verkreeg maar 22% van de
stemmen van het totale kiezerskorps. In Nederland en Duitsland heeft
het sociaal-liberaal beleid eveneens de sociaaldemocratie electoraal
verlies toegebracht. Maar in deze landen hebben nieuwe politieke
formaties kunnen doorbreken links van het centrum: de SP van Jan
Marijnissen en Die Linke behalen 10 à 15% van de stemmen. Op
zich positief maar uiteraard onvoldoende voor een alternatieve
meerderheid met een ander beleid. De linkerzijde in Frankrijk en Italië
kampt met hetzelfde probleem van verlammende verdeeldheid en
strategische stuurloosheid. De sleutel voor een trendbreuk ligt met
andere woorden nog steeds bij de sociaaldemocratie en het breken met
het project van de ‘Derde weg’.
In de aanloop naar de Franse presidentsverkiezingen recycleerde Nicolas
Sarkozy de Italiaanse communist Antonio Gramsci. In navolging van
Gramsci stelde hij dat het gevecht eerst op het vlak van de
ideeënstrijd gevoerd moet worden. Volgens hem moet de rechterzijde een
‘hegemonisch blok’ vormen waardoor ze over een veel breder sociologisch
draagvlak beschikt, met inbegrip van een fractie van de
arbeidersklasse. Zo duidelijk was hij. Een meritocratisch en autoritair
liberalisme zijn hiervan de sleutelcomponenten. Dit betekent geen
medelijden voor de zwakkeren, de lamlendige ambtenaren, al diegenen die
‘niet hard willen werken’ (niet meer dan 35 uren per week), de
migranten en alle profiteurs. De Franse Parti Socialiste
was niet enkel verdeeld rond Segolène Royal maar vooral monddood ten
aanzien van dit project. Inderdaad, welk antwoord heeft links op het
meritocratisch en autoritair liberalisme?
Een nieuw socialistisch project
‘Gelijke kansen’ klinkt mooi maar praktisch functioneert deze slogan
als alibi voor de bestendiging van sociale ongelijkheid. Stel: iedereen
krijgt ‘gelijke kansen’ maar er bestaan nog sociale verschillen. Wat is
dan de conclusie? Dat deze verschillen voortvloeien uit ‘natuurlijke’
ongelijkheid inzake talent, intelligentie en doorzettingsvermogen? Na
enige tijd klinkt dan de roep om ‘gelijke kansen’ overboord te gooien
want het is toch verkwisting. Kortom, het gelijke kansen-verhaal is
geen ideologische kapstok om een partijproject te dragen.
Solidariteit kan niet enkel een moreel principe zijn. Een collectieve
lotsverbetering zal ergens vandaan moeten komen. Zowel op het vlak van
een gemobiliseerde maatschappelijke opinie als op het vlak van de
middelen die deze lotsverbetering tot stand zal brengen. Daarom is de
sociale tegenstelling nog steeds de hefboom om macht te verwerven en de
samenleving te hervormen. Daarom zal een heropstanding van de
linkerzijde de mobilisatie van de ‘traditionele achterban’ vergen, in
alliantie met middenlagen. Daarom moet de linkerzijde opnieuw
maatschappijkritisch worden, niet zozeer op het vlak van ‘individueel
gedrag’ maar op het vlak van de logica die vandaag allesoverheersend
is, een economische gebeuren gebaseerd op winstmaximalisatie. Zo
plaatst SP.a-Rood hierbij de idee van ‘economische democratie’ voorop.
Aldus wordt duidelijk gemaakt op welk terrein er geen democratie
bestaat maar amper een bepaalde vorm van cijnkiesrecht (hoe meer
aandelen, hoe meer beslissingsmacht). De belangen van de werkenden,
omwonenden, gezinnen en gemeenschappen, kortom, van de samenleving, is
van tweede of derde rangorde. Het democratiseren van de economie
betekent dat de samenleving opnieuw controle verwerft over het
economisch gebeuren. Dit is in de eerste plaats een taak voor de
overheid, lokaal, nationaal of supranationaal. Maar het moet ook van
onderuit, zoals bijvoorbeeld de werkvloer via syndicalisme in KMO’s of
inzage een veto-recht bij managementsbeslissingen. De economie kan maar
gedemocratiseerd worden als er opnieuw in een aantal sleutelsectoren
een rechtstreekse tussenkomst is. Daarom is de hernationalisatie van de
productie en distributie van water en energie een prioriteit.
Het marktgebeuren is een mechanisme ter allocatie van goederen en
diensten. Vraag en aanbod ontmoeten elkaar op de markt. Maar dit is
niet persé altijd en overal het meest doeltreffende mechanisme.
Dikwijls is het marktgebeuren zeer ‘onvrij’ omdat het gedomineerd wordt
door privé-monopolies, of oligopolies. Toeleveranciers en
onderaannemers trekken aan het kortste eind. Wanneer een markt dan
vrijwel ongeregeld is en met gelijksoortige spelers functioneert, dan
heeft ze nefaste gevolgen op maatschappelijk vlak. De financiële
markten zijn hier een schoolvoorbeeld van. Op deze markten zoekt het
aanbod van kapitaal (zoals bijv. private pensioenfondsen) de aandelen
die een hoge return geven. Deze hoge return kan enkel mits
loonmatiging, ontslagen en delokalisaties. Intussen kalft de koopkracht
af en worden sociale behoeften die niet solvabel zijn verwaarloosd.
Speculeren schept geen rijkdom maar pompt rijkdom uit de samenleving.
De financiële markten mogen dus gerust tot het minimum beperkt worden.
Arbeid hoeft ook geen koopwaar te zijn. Volledige werkgelegenheid
betekent dat niemand onverkoopbaar is, dat er voor iedereen steeds een
betrekking bestaat, mits herverdeling van het werk of sociaal nuttige
jobs. Wat is de functie van werkloosheid ? Een dwangmatige incentive
tot werkinzet? Maar efficiëntie en motivatie bestaat ook in een
werkzekere omgeving. Werkloosheid vermijdt misschien inflatie omdat de
lonen een neerwaartse druk ondergaan maar inflatie kan ook vermeden
worden via gereguleerde prijsvorming. Dit om maar te zeggen dat andere
visies op de economie verre van onredelijk zijn.
Velen vrezen dat dergelijk project de kip met de gouden eieren een
doodsteek zal bezorgen. Niets is minder waar. Tegenbewegingen hebben
juist geleid tot maatschappelijke modernisering en meer
rechtvaardigheid. Op de 19de eeuwse liberale Staat volgde een
schuchtere democratisering. Deze stelde paal en perk aan het wilde
kapitalisme dat de helft van de samenleving uithongerde en buiten de
instellingen hield. Op het socialisme van de 20ste eeuw reageerde het
kapitaal aanvankelijk met fascisme en sterke staat. Maar dergelijke
avonturisme bracht de wereld op de rand van de afgrond en daarna op de
drempel van diepgaande maatschappelijke omwentelingen. Toen was het
kapitaal wél bereid tot compromissen, met name de erkenning van een
tegenmacht in de onderneming en de sociale zekerheid. Het wegvallen van
het reëel (on)bestaande socialisme heeft niet tot het einde van de
geschiedenis geleid maar tot een nooit geziene polarisatie van rijk en
arm. En tot de dictatuur van de financiële markten. De
sociaaldemocratie van de 20ste eeuw is sinds meer dan 20 jaar op de
dool. Nochtans is er ook in de 21ste eeuw een anti-systeembeweging
nodig. Enkel een socialistisch project voor de 21ste eeuw kan de
sociale en ecologische onevenwichten rechttrekken. Mits pluralisme en
democratie hoeft dit niet persé te leiden tot bureaucratische
vermolming.
Wanneer Erik De Bruyn en Elke Heirman stellen ‘terug naar links’,
betekent dit in de eerste plaats opnieuw positie innemen ter
linkerzijde en niet in het centrum. En misschien betekent ‘links’ of
‘rechts’ niet veel in de ogen van brede lagen van de samenleving. Maar
onrecht aanklagen, opkomen voor sociale lotsverbetering, niet
individueel maar samen, betekent heel veel. Via herverdeling van een
grote koek, via maatregelen waar de werkende bevolking beter van wordt,
op het vlak van huisvesting, van levenskwaliteit in het algemeen. Een
leefbare en duurzame samenleving met inderdaad meer mogelijkheid tot
positieve individuele keuzes.
Een dergelijke opstelling zal een maatschappelijke weerklank vinden.
Vanuit de oppositie kan de sp.a dan opnieuw uitgroeien tot een politiek
zwaargewicht. Machtsdeelname op basis van betere krachtsverhoudingen.
Beloften houden en niet de eigen carrière laten primeren. Dit is wat
velen verwachten. Dit is ook hetgeen vele basismilitanten denken, zij
die in contact staan met de sociale realiteit. Hiermee aanknopen is de
sleutel om rechts in de kou te zetten.
